Hogeschool Utrecht (2012). Bestuursnotitie koers 2012+. Midterm review koers 2012, bestuurlijke conclusies.


HU.png
Het strategiedocument is te downloaden via deze link



H1. Inleiding

In 2007 is Koers 2012 vastgesteld. In dit document zijn uitspraken gedaan over de richting waarin de HU zich in de voorzienbare toekomst zou ontwikkelen. Omdat de omgeving van de HU ook ten tijde van het verschijnen van Koers 2012 al voortdurend in beweging was is tevens besloten tot een tussentijdse evaluatie van het strategisch beleid. In het voorjaar van 2010 is deze evaluatie gestart. Naast vele studenten zijn medewerkers uit alle onderdelen en alle lagen van de organisatie erbij betrokken geweest. Ook zijn partners uit de regio bijeen gekomen in Galgenwaard om zich als kritische vrienden over de keuzen van de HU uit te laten. Het waren inspirerende ontmoetingen waarbij open en betrokken werd gesproken over de ontwikkelingen binnen en buiten de instelling. Op intranet zijn verslagen van de bijeenkomsten gepubliceerd, waardoor het mogelijk werd ook buiten de bijeenkomsten op de verschillende onderwerpen van gesprek te reageren.

1.1 Hoofdlijn
Koers 2012 is een document waarin de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen en tendensen in het hoger onderwijs(beleid) als uitgangspunt zijn genomen. Bij het beschrijven van die ontwikkelingen en tendensen is de term ‘kennissamenleving’ centraal gesteld en zijn onderwerpen als jeugdcultuur, technologische ontwikkelingen, Europese eenwording en concurrentie op wereldschaal de revue gepasseerd. Op een realistische manier is vastgesteld welke positie HU binnen het veranderende speelveld innam en is de vraag gesteld welke strategische keuzen gemaakt konden worden om de positie van de HU te versterken. Standaard voor het antwoord op deze vraag is de missie van de HU, waarin het gaat over het bijdragen aan ‘de sociale, culturele en economische ontwikkeling van een open, rechtvaardige en duurzame samenleving’. Hoogwaardig onderwijs en onderzoek genereren maatschappelijke meerwaarde door innovatie en professionalisering van de beroepspraktijk en de persoonlijke ontwikkeling van talent.

Vervolgens zijn richtinggevende uitspraken gedaan over het onderwijs- en onderzoeksbeleid en over de toekomst van de HU als kennisorganisatie, omschreven als een werkgemeenschap van studenten en medewerkers die door kennisontwikkeling en kennisoverdracht bijdraagt aan de sociale, culturele en economische ontwikkeling van een open, rechtvaardige en duurzame samenleving. Zo gaat het bij onderwijsbeleid over de keuze om kwaliteit boven kwantiteit te plaatsen, flexibilisering van het bacheloronderwijs en het uitbreiden van het masteraanbod. Het onderzoeksbeleid betreft inbedding in de faculteiten, het adagium ‘focus en massa’ en ontwikkeling van kwaliteitsbeleid. De kennisorganisatie wordt ingevuld met HRM-beleid waarin ontwikkeling en loopbaan centraal staan. Tenslotte zijn financiële en facilitaire randvoorwaarden benoemd.

De in Koers 2012 gemaakte strategische keuzes worden breed gedragen, zo blijkt uit de vele gesprekken die zijn gevoerd. De gesprekken gingen dan ook vaak niet over het wat, maar vooral over het hoe. Koers 2012 is een levend document gebleken, dat nog steeds dient als kader voor de besluiten die binnen de hogeschool worden genomen. Voor het strategische beleid van de HU blijft Koers 2012 leidend. Alleen waar in dit document (Koers 2012+) expliciet wordt afgeweken van Koers 2012 is er sprake van een wijziging in inhoud of prioritering, dan wel een specificatie. Vandaar de titel van dit document: Koers 2012+.

1.2 Ontwikkelingen
In de paar jaar sinds 2007 is in de omgeving van de HU veel gebeurd, maar zonder dat het begrip ‘kennissamenleving’ daarmee van de tafel is gevallen. De belangrijkste internationale ontwikkelingen zijn:
  • U-map: Om de transparantie van het hoger onderwijs te vergroten is U-map ontwikkeld. U-map is een methode om instellingen met elkaar te kunnen vergelijken.
  • Hoger onderwijs: Instellingen voor hoger onderwijs worden gekenmerkt door twee kerntaken, namelijk onderwijs en onderzoek. Ook de Nederlandse instellingen voor hoger beroepsonderwijs worden langs deze meetlat beoordeeld en beide kerntaken zijn nu ook wettelijk verankerd.
  • Profilering: In het overheidsbeleid wordt – gebruik makend van U-map – veel nadruk gelegd op pluriformiteit en profilering binnen het hoger onderwijsbestel. {Profilering en zwaartepuntvorming{20
  • Samenwerking: Op Europees niveau hebben de HBO-instellingen een netwerk van Universities op Applied Sciences (UAS) gevormd. Dit netwerk maakt gemeenschappelijke belangenbehartiging, profilering en grensoverschrijdende afstemming eenvoudiger. {Samenwerking met kennisinstellingen{25
  • Impact: Er wordt steeds meer nadruk gelegd op verantwoording van resultaten, zowel in het onderwijs als in het onderzoek. Het hoger onderwijs moet meerwaarde hebben voor de maatschappij. Met de kennis die in de instellingen beschikbaar is moet op een transparante en aantoonbare wijze waarde worden toegevoegd aan de maatschappij (‘Kennisvalorisatie’). {Valorisatie{50
In 2009 is de wereld getroffen door een heftige financiële crisis, gevolgd door de zwaarste economische recessie sinds bijna een eeuw. Overheidsinvesteringen zijn gebruikt om de meest ingrijpende effecten van deze financiële en economische terugslag op te vangen, maar een noodzakelijk gevolg is dat ook de overheden bestedingen onder controle moeten brengen. Ingrijpende bezuinigingen in de publieke sector zijn hiervan het resultaat. Voorgaande ontwikkelingen komen hierdoor nog scherper voor het voetlicht, in het bijzonder een focus op de maatschappelijke meerwaarde van onderwijs en onderzoek.

Samenhangend met de internationale tendensen en de extra focus op de maatschappelijke meerwaarde van onderwijs en onderzoek is in het binnenland de aandacht voor regionale samenhang en ontwikkeling versterkt. De regio Utrecht is een van de vleugels van de Randstad en in de economische structuur van Nederland een van de toppers. Sterke kanten van de regio zijn het hoge opleidingsniveau, intensieve arbeidsparticipatie, hoog Bruto Regionaal Product, grote omvang van de creatieve klasse, kwaliteit van infrastructuur voor zorgeconomie, creatieve industrie en zakelijke dienstverlening. Duurzaamheid en de fysieke, sociale en culturele grootstedelijke vraagstukken zijn de belangrijkste uitdagingen. In de regio Utrecht zijn de samenwerkingsverbanden tussen de HU, het openbaar bestuur (gemeenten Utrecht en Amersfoort en provincie) en de andere kennisorganisaties (UU, UMCU, HKU, ROC’s, voortgezet onderwijs, primair onderwijs) versterkt. De Taskforce Innovatie Regio Utrecht (TFI) bleek hiervoor een belangrijk vehikel. Steeds meer is ook de gemeenschappelijke ontwikkeling van de Uithof als Business & Science Park centraal komen te staan. {Regionale samenwerking{136

1.3 Positionering
HU heeft zichzelf in het Nederlands stelsel altijd ondubbelzinnig gepositioneerd als instelling voor beroepsonderwijs. Dit betekent dat we ons verbinden met de maatschappelijke sectoren waarvoor we onze studenten opleiden. Eerder is de missie al aangehaald, waarin het leveren van maatschappelijke meerwaarde centraal staat: De Hogeschool Utrecht is een kennisorganisatie waar we door hoogwaardig onderwijs en onderzoek werken aan innovatie en professionalisering van de beroepspraktijk en aan de persoonlijke ontwikkeling van talent. Daarmee dragen we bij aan de sociale, culturele en economische ontwikkeling van een open, rechtvaardige en duurzame samenleving. {Valorisatie{89

In het perspectief van de internationale, nationale en regionale ontwikkelingen en de uitdagingen is de missie nog steeds adequaat.

HU is een instelling die in samenwerking met partners impact wil hebben op de economische en sociaal-culturele ontwikkeling van in het bijzonder de regio Utrecht-Amersfoort. {Regionale samenwerking{25 {Profilering en zwaartepuntvorming{25 {Valorisatie{25 We willen dit doen in de wetenschap dat de professionals die wij opleiden een nationaal en internationaal herkenbaar profiel moeten hebben. Daarmee streven wij naar een positie die maakt dat de instelling opleidingen aanbiedt en het onderzoek uitvoert dat voldoet aan hoge, internationaal erkende kwaliteitsmaatstaven. Op een beperkt aantal terreinen wil de HU in onderwijs en onderzoek erkend en herkend worden als excellent. {Profilering en zwaartepuntvorming{63 De ambities zijn hoog. Ze kunnen niet van vandaag op morgen worden gerealiseerd. Het perspectief van waaruit we werken is dat we al de nodige randvoorwaarden hebben gerealiseerd, maar dat we in 2017 in benchmarks en relevante rankings voldoen aan onze doelstellingen. Bij die benchmarks en relevante rankings gaan we uit van het Europese classificatiesysteem voor het hoger onderwijs en rankings die daarop worden gebaseerd. De ambities moeten hoog zijn, wil de instelling de afstudeerders en medewerkers in het Europa van de toekomst goed positioneren. Ambities formuleren we met het oog op resultaten. {Internationalisering onderwijs{80 We moeten dan ook bij de uitvoering van de plannen steeds rekening houden met de beschikbare middelen. Als gevolg van de financieel-economische ontwikkeling wordt daarbij van de HU nog meer dan in het verleden verlangd dat binnen een beperkt budget duidelijke keuzes worden gemaakt bij de inzet van de middelen, de effectiviteit en de efficiency van de ingezette middelen geoptimaliseerd worden en zorg wordt gedragen voor een adequate sturing van de processen. {Efficiency en effectiviteit{72

HU is een instelling die in samenwerking met partners impact wil hebben op de economische en sociaal-culturele ontwikkeling van in het bijzonder de regio Utrecht-Amersfoort. HU hanteert voor zichzelf hoge, internationaal erkende kwaliteitsmaatstaven en wil op een aantal terreinen erkend en herkend worden als excellent. Om de doelen te bereiken zijn duidelijke keuzes gemaakt, de effectiviteit en de efficiency van de ingezette middelen worden goed in kaart gebracht en er wordt zorg gedragen voor een adequate sturing van de processen.

H2. Koers 2012+

Impact hebben in de regio door hoogwaardig onderwijs en (praktijkgericht) onderzoek aan te bieden is de kerntaak van de HU. {Regionale samenwerking{20 {Valorisatie{20 Het onderwijs bestaat uit een breed palet van opleidingen waarvoor de bachelor graad wordt toegekend en een selectief aantal beroepsopleidingen die tot de master graad opleiden. Deze opleidingen worden ondersteund door onderzoek dat door de instelling wordt verricht. Dit is de kern van Koers 2012 en het daarin geformuleerde beleid wordt op hoofdlijnen doorgezet. Gelet op de ontwikkelingen in de omgeving van de HU is deze nog steeds adequaat en binnen de instelling kan de koers op brede steun rekenen. Wel is er behoefte aan meer samenhang en focus in onze activiteiten, zijn er onderwerpen die onvoldoende prioriteit hebben gekregen en moet er op bepaalde punten worden bijgebogen of gespecificeerd. Het adagium voor al onze activiteiten moet zijn: ‘focus en massa’: de capaciteit waarover de HU beschikt moet worden geconcentreerd op een beperkt aantal thema’s. {Profilering en zwaartepuntvorming{55

2.1 Onderwijs
In het onderwijs ontleent HU haar identiteit aan het verschaffen van graden op bachelor- en masterniveau. Masteropleidingen hebben een post-experience karakter: bachelors hebben enige tijd hun beroep uitgeoefend en zijn op zoek naar verdieping van hun competenties. {Postinitieel onderwijs{37 Naast bachelor- en masteropleidingen worden binnen de facultaire centra allerlei cursussen en trainingen aangeboden. Het laatste aanbod staat veelal inhoudelijk en feitelijk los van wat als ‘echte’ kerntaken wordt gezien. Zo wordt weinig gebruik gemaakt van modules uit het initieel onderwijs en worden veel docenten voor deze activiteiten extern ingehuurd. Versterking van de samenhang in ons onderwijsaanbod is één van de opdrachten voor de komende jaren. Het concept ‘een leven lang leren’ is hier behulpzaam. Dit concept vraagt niet om een andere, maar wel om een meer radicale invulling van het onderwijsprofiel waarover in Koers 2012 wordt geschreven. Dat onderwijsprofiel heeft als kenmerken: competentie- en vraaggericht onderwijs in een rijke leeromgeving en met een stevige kennisbasis. In het bijzonder de vraaggerichtheid van het onderwijs is in het geding bij een leven lang leren. De samenhang tussen bachelors, masters, cursussen en trainingen wordt met dit concept ontleend aan de leerloopbaan van de studenten. Al naar gelang de levensfase of carrière kiest iemand voor vernieuwing, verdieping of verbreding van kennis of vaardigheden. De kern van de studenten die gebruik maken van de mogelijkheid om na de bachelor een master te volgen of het modulaire aanbod aan cursussen en trainingen zal voortkomen uit studenten die zich met de HU verbonden voelen. Een belangrijke randvoorwaarde voor dit perspectief op het onderwijsaanbod is daarmee een goed functionerend alumnibeleid. Het opzetten van dit beleid krijgt dan ook hoge prioriteit.

In het onderwijsbeleid is het concept ‘een leven lang leren’ richtinggevend. Binnen het raamwerk van dit concept biedt de HU opleidingen aan die de bachelor- of de mastergraad opleveren. Aanvullend en daarmee samenhangend biedt de HU een flexibel geheel van cursussen en trainingen aan. In het studiejaar 2010-2011 wordt de basis gelegd voor het alumnibeleid van de HU. Binnen drie jaar moet een substantieel hogeschoolbreed alumninetwerk actief zijn.
{Leven Lang Leren en Alumni{235

Kwaliteit
In Koers 2012 is nadrukkelijk ingegaan op de spanning tussen toegankelijkheid, studiesucces en kwaliteit in het bacheloronderwijs. Er is voor gekozen kwaliteit als uitgangspunt van strategisch beleid te nemen en studiesucces en toegankelijkheid als afgeleiden daarvan te zien. De driehoek van Bronneman – zoals de voornoemde spanning wel wordt aangeduid – is nog steeds actueel, evenals het vasthouden aan kwaliteit als hoogste waarde. De kwaliteit van – in het bijzonder – het bacheloronderwijs blijft immers onderwerp van discussie. De samenhang in het programma, de kennisbasis, de internationalisering van het onderwijsmateriaal, de contacttijd en studiebegeleiding, het studiesucces, de toetsing en het gerealiseerde eindniveau zijn thema’s die te vaak in vrijwel alle vormen van externe beoordeling (van studenttevredenheid en alumnionderzoek tot accreditatie) negatief voor het voetlicht komen.Door de veranderingen in de wetgeving zal het accreditatieproces vanaf 2011 anders gaan verlopen, waardoor de aandacht voor bovengenoemde kwaliteitsaspecten zal worden versterkt. De HU streeft binnen het nieuwe stelsel naar een instellingsaccreditatie, waardoor een beperkte opleidingstoets volstaat. In het najaar van 2010 zal het kwaliteitsbeleid van de hogeschool worden aangepast en – in het licht van de ambities van de HU (hoge, internationaal erkende maatstaven voor het onderwijs) – aangescherpt. Evenzeer als bij het beoordelingskader van de NVAO zal binnen de instelling de kwaliteit van de individuele opleiding centraal komen te staan. In dit kwaliteitsbeleid zal het gerealiseerde niveau en de impact van opleidingen op de arbeidsmarkt centraal moeten staan. Structureel zwakke opleidingen zullen worden aangesproken en in de gelegenheid worden gesteld binnen een bepaalde tijd het gewenste kwaliteitsniveau alsnog te realiseren. Waar dit niet lukt, zal overwogen worden de betreffende opleiding af te bouwen. Naast de wijziging van het accreditatiestelsel is door een herziening van de WHW ook de rol van de examencommissies versterkt. Belangrijke taken zijn nu:
• het bepalen of een student voldoet aan de voorwaarden die de onderwijs- en examenregeling stelt voor het behalen van het diploma en
• het borgen van de kwaliteit van de tentamens en examens, waarbij het accent minder op de procedures en meer op de inhoudelijke kwaliteit van toetsing komt te liggen.
In de wet zijn ook de voorwaarden waaronder de commissie functioneert aangescherpt, door het benadrukken van aantoonbare onafhankelijkheid en deskundigheid. Bovendien zullen de examencommissies jaarlijks een verantwoordingsverslag moeten publiceren. Binnen de HU is op de vernieuwde rol van de examencommissies geanticipeerd met een aantal studiebijeenkomsten. Gekozen is bovendien voor harmonisatie van de structuur binnen de faculteiten. Twee modellen staan ter discussie:
- facultaire commissies, bestaande uit kamers op instituutsniveau;
- commissies op instituutsniveau, aangevuld met een facultair coördinatieplatform.
In de kwaliteitsdiscussie springen vier onderwerpen er uit:
1. menskracht en werkdruk
2. internationalisering
3. samenwerking
4. studiesucces
{Kwaliteitszorg onderwijs{436

Onderwijs is mensenwerk. Veel van de uitdagingen waarvoor de HU zich geplaatst ziet hebben te maken met aandacht voor de student. Elders in deze notitie wordt aangegeven dat de HU al enige jaren bezig is middelen te verschuiven van de ondersteuning naar de kerntaken. De eerste resultaten daarvan worden zichtbaar en in de komende jaren wordt dit proces voortgezet. Het gevolg van dit beleid is dat er meer capaciteit beschikbaar komt voor de kerntaken, onderwijs en onderzoek. Dit betekent dat in de komende periode een verbetering tot stand moet worden gebracht in de student/docent ratio (meer menskracht in het onderwijsproces) {Onderwijsintensiteit{100 en in de capaciteit van de kenniscentra (meer menskracht in het onderzoek). Dit laat onverlet het streven naar 100% master en tenminste 20% gepromoveerden (zie hierna).

De voorbije jaren is door de opleidingen intensief gewerkt aan het verstevigen van de kennisbasis. Professionals kunnen daarbij niet meer volstaan met een nationaal perspectief. In Koers 2012 is de internationale context van de instelling en de internationalisering van onderwijs en onderzoek dan ook een rode draad. Waar er expliciet op wordt ingegaan is het thema echter vooral in termen van in- en uitgaande mobiliteit aan de orde gesteld. Daarbij zijn erg hoge mobiliteitscijfers als ideaal vastgelegd. Aandacht voor internationalisering door de inhoud van het curriculum is daardoor onderbelicht. Onder de vlag van ‘internationalisation at home’ zal de aandacht de komende periode vooral gericht worden op de ontwikkeling van competenties van studenten die hun beroep in een internationale context moeten verrichten. Mobiliteit – in dit verband opgevat als het geheel van diploma-, stage- en credit-mobiliteit, zoals gedefinieerd door het Nuffic – is hierbij één van de mogelijke vormen. Ook studenten die niet mobiel worden moeten echter de competenties verwerven die een professional in een internationale omgeving nodig heeft. Internationalisering met aandacht voor het ontwikkelen van multiculturele competenties is een kwaliteitskenmerk van al onze bacheloropleidingen. Elke faculteit geeft hieraan de inkleuring die past bij het beroepenveld waarvoor wordt opgeleid. De ingezette beweging van ‘internationalisation at home’ zetten we dus door. De internationale mobiliteit zien we niet als een doel maar als uitkomst van het internationaliseringproces. {Internationalisering Onderwijs{222 Deze uitkomst wordt mede bevorderd door de vorming van een consortium van vergelijkbare instellingen in Europa. Doelstelling van dat consortium is samenwerking op het terrein van onderwijs (double of joint degrees) en onderzoek (dat daarmee een beroep kan doen op internationale financieringsbronnen). {Joint Degree{42 {Internationalisering Onderwijs{42 Uitgaande mobiliteit van studenten relativeren roept de vraag op hoe we om moeten gaan met inkomende mobiliteit en – breder – het Engelstalig onderwijsaanbod. Dit mede vanwege de tussen de instellingen geldende regel van evenwicht tussen uitgaande en inkomende mobiliteit. HU biedt programma’s, tracks, modules (minoren), cursussen en trainingen aan in de Engelse taal. De meerwaarde van dit aanbod lijkt evident, namelijk vanwege hun bijdrage aan de pluriformiteit van de studentenpopulatie en daarmee de eerder genoemde ‘internationalisation at home’. Dit impliceert echter dat het onderwijs tenminste aan de kwaliteitseisen voldoet die worden gesteld aan opleidingen die in de Nederlandse taal worden verzorgd en dat de internationale en nationale studenten elkaar ontmoeten en samenwerken. Werving van internationale studenten vraagt bovendien zodanig grote inspanningen dat de vraag opkomt of deze inspanningen verantwoord zijn. In het studiejaar 2010-2011 zullen de opleidingen worden geëvalueerd op grond van baten en lasten. Bij een negatieve evaluatie zal dit aanbod worden afgebouwd en de middelen anderszins worden aangewend om de doelstellingen van het internationaliseringsbeleid te realiseren. {Internationalisering Onderwijs{167

Hoger onderwijs is geen exclusieve activiteit van instellingen als de HU, maar komt tot stand in samenwerkingsverbanden van de HU met (regionale) partners. {Aansluiting arbeidsmarkt{23 Innovatie van de beroepspraktijk – wezenlijk onderdeel van onze missie als instelling voor beroepsonderwijs – is ondenkbaar zonder intensief contact en afstemming met die praktijk. Dit impliceert dat op het niveau van de opleidingen de docententeams een zodanige werkverdeling afspreken dat de contacten met de beroepspraktijk zijn verzekerd. Zie ook het hoofdstuk kennisorganisatie in deze notitie. Het actief onderhouden van deze netwerken is een wezenlijk onderdeel van het kwaliteitsbeleid van de HU. {Aansluiting arbeidsmarkt{70 De samenwerkingsverbanden worden ondersteund door de netwerken waarin de faculteiten en de instelling als geheel participeren.

Bij werving en studiebegeleiding in het eerste jaar blijft het uitgangspunt: de juiste student op de juiste plaats. De afgelopen periode is de beweging ingezet om de oriënterende, selecterende en verwijzende functie van de propedeuse te versterken. Goede uitvoering van deze functies in het eerste studiejaar is bepalend voor het studiesucces van de opleiding als geheel. Bijzondere aandacht vraagt de verwijzende functie. Juist een instelling als de HU kan door de breedte van het opleidingenaanbod studenten op alternatieve opleidingen in eigen huis wijzen. De inzet moet dus zijn om studenten die dreigen uit te vallen, te begeleiden naar een wel passende opleiding binnen de HU. {Studiebegeleiding{105 Goede studiebegeleiding en systematische verwerving van informatie over het afhaken (bijv. door systematische intake- en exitgesprekken) zijn van groot belang. Alleen zo kan de opleiding inzicht verwerven in het risico van achterblijvend studiesucces. {Studiebegeleiding{33 {Informatiemanagement{33 Binnen de instelling moeten hiertoe uiteraard ook de passende en ondersteunende informatiesystemen beschikbaar zijn. {Informatiemanagement{14
In Koers 2012 is gesteld dat het studiesucces van de instelling binnen de planperiode met 10% moet stijgen. Dit met het oog op een verdere doorgroei naar 70% (na zeven jaar) in de periode tot aan 2017. Uitgaande van de voorgaande benadering ligt het meer in de rede doelstellingen naar opleidingsniveau vast te stellen. Uitgangspunt is dan dat opleidingen tenminste het sectorgemiddelde halen en voor zichzelf realistische targets formuleren door te groeien naar een aansprekend hoger niveau. Binnen het kader van het studiesucces heeft de HU extra overheidsmiddelen verworven voor het bevorderen van het studiesucces van biculturele studenten (het G5 programma). Op dit moment worden binnen alle faculteiten projecten uitgevoerd. Het resultaat van deze verschillende projecten moet zijn dat op instellingsniveau inzicht wordt verworven in de meest effectieve aanpak van dit vraagstuk. In 2010 zal de eerste evaluatie van het programma plaatsvinden. {Rendement en uitval{142

Het kwaliteitsbeleid van de HU wordt – aansluitend bij de herziening van het landelijke accreditatiestelsel – in het studiejaar 2010-2011 aangepast en aangescherpt. Naast de professionalisering van de examencommissies zal hierbij bijzondere aandacht uitgaan naar meer menskracht voor onderwijs en onderzoek, verdere versterking van de kennisbasis (in het bijzonder vanuit internationaal perspectief), het systematisch onderhouden van netwerken met de beroepspraktijk door de opleidingen en op goede informatie gebaseerde uitvoering van de basisfuncties van de propedeuse. {Kwaliteitszorg onderwijs{73 Het Engelstalige aanbod voor bachelor studenten zal in het studiejaar 2010-2011 worden geëvalueerd op grond van baten en lasten. Bij een negatieve evaluatie zal dit aanbod worden afgebouwd. {Internationalisering onderwijs{28 De in Koers 2012 vastgelegde doelstellingen voor het niveau van studiesucces worden verlaten: uitgangspunt zijn realistische doelstellingen voor studiesucces per opleiding, waarbij het sectorgemiddelde als minimum standaard wordt gebruikt. {Rendement en uitval{29

Kwantiteit
Kwantitatieve groei heeft geen prioriteit, zo staat in Koers 2012. Desondanks zien we de studentenaantallen op hogeschoolniveau nog steeds verder toenemen. De instelling groeit met bijna 33.000 bachelorstudenten en ruim 4600 masterstudenten in 2009 snel in de richting van 40.000 studenten. Het marktaandeel blijft overigens achter bij het gewenste marktaandeel voor HU volgens Koers 2012: 9,2% in plaats van 10%.
Deze norm op hogeschoolniveau wordt vaak doorvertaald naar de opleidingen en dit levert vervolgens een weinig realistische doelstelling op. Een norm voor het marktaandeel op hogeschoolniveau is op deze manier weinig zinvol. Het gewenste marktaandeel zal op het niveau van de opleidingen moeten worden vastgelegd. Behoud van het marktaandeel binnen de sector wordt dan de basis, terwijl op grond van de ontwikkeling van de arbeidsmarkt voor bepaalde terreinen specifieke groeidoelstellingen kunnen worden afgesproken. Bijvoorbeeld vanwege tekorten in de sector techniek of in samenhang met inhoudelijke speerpunten als creative industries, duurzaamheid, onderwijs en opvoeding in de wijk of zorg en technologie.

Prioriteit toekennen aan kwaliteit boven kwantiteit impliceert niet dat de HU zich onttrekt aan de maatschappelijke verantwoordelijkheid om het aantal hoger opgeleiden in Nederland te doen toenemen. Onze bijdrage aan het bestrijden van te verwachte tekorten aan hoger opgeleiden zal echter moeten voortkomen uit het beperken van de uitval en het verhogen van het studiesucces. {Rendement en uitval{28 Daarnaast gaan we actief inzetten op het verbeteren van de scholingsmogelijkheden van werkenden door in te zetten op passende deeltijd- en duale opleidingen en contractonderwijs. {Leven lang leren en Alumni{25

Het voorgaande betekent ook dat het voor de HU in de rede ligt om ook het in Koers 2012 genoemde doel om het aantal deelnemers uit het mbo te verhogen, als op zichzelf staande doelstelling te verlaten. Uiteraard blijven we investeren in de samenwerking met de ROC’s en de scholen voor voortgezet onderwijs om de aansluiting tussen het aanleverend onderwijs en de hogeschool te verbeteren. {Aansluiting toeleverend onderwijs{65 {Samenwerking met kennisinstellingen{65 Gegeven de problemen met het niveau van de instromende student zijn outreach activiteiten, deficiëntieprogramma’s en summerschools ook de komende jaren noodzakelijk. Om de toegankelijkheid tot de opleidingen van de HU te waarborgen is in de voorbije jaren veel aandacht besteed aan deze aansluiting en ontwikkelt HU veel activiteiten ‘voor de poort’.
Er bestaat daarbij behoefte aan markering van onze verantwoordelijkheden en die van het MBO, HAVO en VWO. Een conclusie die we daarbij trekken is dat wij het eindniveau van onze opleiding moeten bewaken, waardoor we daaruit afgeleid het instroomniveau duidelijker moeten vaststellen. Opleiding tot dat instroomniveau is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van het toeleverende veld. HU is met concrete afspraken bereid onze partners te ondersteunen bij die verantwoordelijkheid. Bij de evaluatie van de convenanten die met de partners zijn gesloten zal dit uitgangspunt leidend zijn.
{Aansluiting toeleverend onderwijs{138

Een belangrijk thema bij de samenwerking met de ketenpartners in de regio is de Associate Degree (AD). De mogelijkheid om AD’s aan te bieden is pas de laatste jaren ontstaan. Bij de totstandkoming van Koers 2012 was dit nog geen optie die was uitgekristalliseerd. Gaandeweg is ervoor gekozen te experimenteren met AD’s als onderdeel van bestaande bacheloropleidingen. HU heeft nu tien licenties in eigendom, waarvan er drie zeer recent zijn verworven. Door wijziging van de regelgeving worden AD’s echter steeds vaker als één van de zelfstandige opleidingen gezien, los van de bachelor. De vraag blijft dan bestaan of het gaat om een eigenstandige opleiding op het niveau van het hoger onderwijs (niveau 5) of een sluitstuk van de beroepskolom. Instellingen voor HBO en MBO moeten zich daarom gemeenschappelijk bezinnen over de positionering van dit type opleidingen. Gelet op de missie van de hogeschool als instelling waarin bacheloropleidingen centraal staan is de conclusie voor de HU dat AD opleidingen primair worden gezien als post-MBO varianten. Dit perspectief wordt ondersteund door de collega’s uit het regionale MBO. Deze manier van kijken leidt tot uitgangspunt dat HU geen AD opleidingen aanbiedt, tenzij deze kunnen indalen in het aanbod van het MBO. Zelfs dan zal de HU echter uiterst selectief zijn vanuit het oogpunt van toegevoegde waarde voor de leerloopbaan van de studenten (is er een aantoonbaar en duidelijk af te bakenen plaats op de arbeidsmarkt voor de afgestudeerden) en drempelloze doorstroom naar een bachelor opleiding. Op de nieuwe opleidingen zal dit uitgangspunt al worden toegepast en voor de bestaande opleidingen moet een dergelijk arrangement alsnog worden gerealiseerd. {Associate Degree{264

In Koers 2012 heeft diversiteit een prominente plaats gekregen. Dit onderwerp is in 2007 uitgewerkt in de nota Kleur bekennen. De doelstellingen van het diversiteitbeleid van de HU zijn volgens deze nota:
• Meer biculturele studenten (van niet-westerse afkomst) studeren met succes af aan de HU
• Alle afgestudeerden van de HU zijn in staat om effectief te functioneren in een interculturele of internationale werkomgeving.
De vraag is aan de orde of de keuzepatronen van potentiële studenten uit biculturele groepen in de regio Utrecht-Amersfoort het nodig maken om het wervingsbeleid bij te stellen en wellicht tot een intensivering van de werving onder deze studenten te komen. Analyse van de instroomgegevens leert dat er geen sprake is van een algemeen patroon waarbij de instroom van biculturele studenten bij de HU achterblijft bij andere instellingen. Wel is het zo dat er verschillen bestaan tussen de sectoren. De conclusie is vooralsnog dat er geen specifieke inspanningen nodig zijn op dit punt, maar dat per sector nagegaan moet worden of en in hoeverre het streven naar een evenwichtige instroom uit alle groepen in de samenleving gerealiseerd wordt. Vooralsnog wordt hogeschoolbreed vastgehouden aan de verdere uitvoering van de nota Kleur bekennen. HU verlaat het streven naar een marktaandeel van 10% op instellingsniveau. Het streven wordt nu handhaving van het marktaandeel op het niveau van de opleidingen en specifieke jaarafspraken tussen het College van Bestuur en de faculteitsdirecteuren over groeidoelstellingen in het licht van ontwikkelingen op de arbeidsmarkt of ten aanzien van de speerpunten van de HU.
HU verlaat het streven naar vergroting van de MBO-instroom.
{Diversiteit en differentiatie{260 Met alle partners in het toeleidend onderwijs worden de afspraken over drempelloze doorstroom van talentvolle studenten (studenten die het HBO niveau aan kunnen) voortgezet. Nadere afspraken worden gemaakt over de verdeling van verantwoordelijkheden voor en na het instroommoment van de studenten. De HU biedt geen Associate Degree trajecten aan, tenzij deze kunnen indalen in het aanbod van het MBO. Het diversiteitbeleid zal onverkort worden voortgezet. {Associate Degree{65 {Diversiteit en Differentiatie{65

Flexibilisering
Vraaggerichtheid is een essentieel onderdeel van het onderwijsprofiel van de HU. Flexibilisering van het curriculum is het belangrijkste middel om aan die vraaggerichtheid vorm te geven. Het gaat daarbij immers om het vergroten van de keuzemogelijkheid van de studenten binnen de hogeschool. Studenten moeten de mogelijkheid hebben om te versnellen, in te halen, te profileren en te excelleren. Daarbij wordt de keuzeruimte niet bepaald door de mogelijkheden van de opleiding of faculteit, maar door de mogelijkheden van de HU als geheel. Het voordeel van de breedte van het onderwijsaanbod en de schaal van de instelling moet zo worden uitgebaat. Dat hierbij rechtens gestelde randvoorwaarden voor bepaalde opleidingen in acht moeten worden genomen – zoals de wet BIG in de sector Gezondheidszorg – is vanzelfsprekend.
In de afgelopen periode is op basis van Koers 2012 de nota Naar een flexibele hogeschool (2008) vastgesteld, waarin een nieuwe ordening van de jaarcirkel is bepaald, een standaard onderwijseenheid (5 EC) is vastgesteld, de rol van de examencommissies en de studiebegeleiding is uitgewerkt en de structuur voor adequate informatievoorziening voor studenten is afgesproken. Herinrichting van de curricula op basis van de 5 EC moet in de komende jaren (voor 2014) worden afgerond. Voor excellerende studenten is het Sirius programma uitgewerkt (2009). Dit programma is formeel per 1 januari 2010 van start gegaan. Een excellente beroepsbeoefenaar is – aldus dit programma – in staat de beroepsuitoefening vanuit een breed (internationaal) perspectief te beschouwen, expliciet bij te dragen aan de verdere professionalisering van het beroep waardoor bij uitstek de mogelijkheid ontstaat vanuit de actuele uitoefening van het beroep door te groeien naar sleutelfuncties in de beroepsomgeving.
{Flexibiliteit en Maatwerk{265 Studenten krijgen op allerlei manieren de mogelijkheid om – op hoog niveau – aan ieder van deze competenties te voldoen en aldus het predicaat excellent te verdienen. Een van de mogelijkheden is deelname aan het onderzoek van een kenniscentrum. {Excellent onderwijs{37 {Flexibiliteit en Maatwerk{37 Flexibilisering is primair van belang voor de studenten, maar heeft ook belangrijke gevolgen voor de bedrijfsvoering van de HU. In Koers 2012 is vastgesteld dat in het assortimentsbeleid de nadruk de komende jaren niet zonder meer ligt op het uitbreiden van het aantal licenties. Flexibele aanpassingen in het bestaande aanbod verdienen de voorkeur. Achtergrond van deze keuze is naast de transparantie in het aanbod ook de vraag van investeringsprioriteit. Dit beleid wordt de komende periode onverkort voortgezet. Het beleid om de HU als flexibele hogeschool in te richten zal de komende jaren onverkort worden voortgezet. {Flexibiliteit en Maatwerk{95

Studiebegeleiding
In Koers 2012 is studiebegeleiding als belangrijk thema opgevoerd. Voor veel onderwerpen die in de strategie van de HU van belang zijn (accentuering van de kernfuncties van de propedeuse, flexibilisering, etc.) is studiebegeleiding – zo blijkt ook uit het voorgaande – de achilleshiel. In de nota Koersen op rendement (2009) wordt geconstateerd dat de kwaliteit van de studiebegeleiding vooralsnog te laag is. ‘Uit alle input wordt duidelijk dat we tot op heden niet in staat zijn over de hele linie onze studenten op dit punt goed te bedienen, en dat beeld heerst al enkele jaren. Dat is verontrustend’, aldus de nota. Er wordt vervolgens helder vastgesteld waar het aan schort:
• Het is onduidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is, sommigen worden van het kastje naar de muur gestuurd;
• De intensiteit van begeleiding is te laag;
• De begeleiding sluit niet aan op de wensen en belevingswereld van studenten;
• Er wordt slecht gecommuniceerd over nut en noodzaak van begeleiding;
• De continuïteit en professionaliteit van de begeleiding is te gering; veel docenten ‘doen SLB er even naast’.

Op basis van deze analyse wordt een beeld geschetst van de studiebegeleiding waarin de docent als dienstverlener centraal staat, studieloopbaanbegeleiding een specifieke docentenrol is (uitsluitend gericht op begeleiding bij de competentieontwikkeling van de student) en studentmentoren (naast de studentendecanen en studentenpsychologen) goed in staat zijn de extra zorg aan de student te bieden waar dit gewenst en noodzakelijk is. Hiermee wordt een scherpe scheiding aangebracht tussen de begeleiding van de student in het leerproces en de zorg voor de student die om redenen die buiten het onderwijsproces zijn gelegen kansen of problemen ervaart. Studiepunten worden uitsluitend toegekend voor resultaten die op weg naar het voldoen aan de eindtermen van de opleidingen worden behaald. Uitvoering van dit model van studentenbegeleiding heeft hoge prioriteit. Het beleid om binnen de HU de studiebegeleiding te verbeteren zal onverkort worden voortgezet.
{Studiebegeleiding{312 Er wordt daarbij scherp onderscheiden naar begeleiding binnen het onderwijsproces en de begeleiding bij vragen die buiten het onderwijsproces zijn gelegen. Studiepunten worden uitsluitend toegekend voor resultaten die op weg naar het voldoen aan de eindtermen van de opleidingen worden behaald.

Onderwijs & Onderzoek
De samenhang tussen onderwijs en onderzoek is een belangrijk thema geworden. Onderzoek moet de kwaliteit van het onderwijs bevorderen. Onze studenten zijn professionals in opleiding en van professionals wordt tegenwoordig verwacht dat zij vanuit een stevige kennisbasis systematisch kunnen reflecteren op de praktijk waarin zij werken, om zo een bijdrage te kunnen leveren aan de innovatie van de beroepspraktijk. Naast een stevige theoretische basis is dus ook het kritisch vermogen en een onderzoekende houding van groot belang. Het versterken van de verbinding tussen het bacheloronderwijs en het toegepast onderzoek zal een grote bijdrage moeten leveren aan de vorming van ‘reflective practitioners’. Het is onze overtuiging dat het versterken van de verbinding tussen het onderwijs en het onderzoek een belangrijke bijdrage zal leveren aan de gewenste kwaliteit van de beroepsbeoefenaren die wij opleiden. Toenemende participatie van studenten in het onderzoek van de kenniscentra is daarom van groot belang. {Academisering onderwijs{147 Dit is echter alleen denkbaar als ook docenten in toenemende mate betrokken zijn bij het werk van de kenniscentra (en daartoe geëquipeerd zijn) {Academisering docenten{23 ; zie het hoofdstuk kennisorganisatie) en het curriculum door flexibilisering ruimte biedt voor het opnemen van praktijkonderzoek in de opleiding van de studenten. Aan het leggen van verbanden tussen onderwijs en onderzoek zal in de komende periode hoge prioriteit worden toegekend. In voorbereiding op het studiejaar 2011-2012 zal elk van de faculteiten hiertoe een actieplan ontwikkelen. {Academisering onderwijs{50

Masteronderwijs en contractonderwijs
De toenemende complexiteit van de beroepsuitoefening en de snelle kennisontwikkeling vraagt van beroepsbeoefenaren een doorgaande scholing. De bacheloropleiding is niet het einddoel, maar een startkwalificatie. De professional in opleiding verandert na het afstuderen in een hoogopgeleide professional die een leven lang zal moeten blijven leren. De HU wil haar studenten een aantrekkelijk aanbod van postervaring onderwijs bieden, waarbij de in het toegepast onderzoek ontwikkelde kennis een belangrijke plaats krijgt. Zo kunnen we een bijdrage leveren aan de doorgaande ontwikkeling van hoogopgeleide beroepsbeoefenaren. De kwaliteit van de masteropleidingen en het contractonderwijs wordt, evenzeer als die van de bacheloropleidingen geborgd. Het kwaliteitsbeleid van de instelling (zie hiervoor) is daarom op het gehele onderwijsaanbod van toepassing. {Leven Lang Leren en Alumni{113

Professionele masteropleidingen
Het masteraanbod van de hogeschool is gericht op werkende bacheloropgeleiden. Dit betekent overigens niet dat de bacheloropleiding fungeert als vooropleiding van een specifieke masteropleiding (en dat zeker ook niet als doel heeft, want we leiden op voor de arbeidsmarkt). Het betekent wel dat de masteropleiding fungeert als een nieuwe stap in de beroepsontwikkeling van de professional. De HU handhaaft het streven uit Koers 2012 om te komen tot een vitaal palet aan professionele masteropleidingen. {Postinitieel onderwijs{74

Het masteronderwijs is nauw verbonden met het onderzoek. Om deze reden hanteert de HU het adagium ‘geen master zonder lector’. Koers 2012 was echter duidelijk: ‘masteropleidingen aan de HU hebben een professioneel karakter, het zijn beroepsopleidingen’. Masteropleidingen verdiepen de professionele competenties, in het bijzonder het vermogen om evidence based te werken. {Academisering onderwijs{51
Het merendeel van de masters wordt niet door de overheid bekostigd. We kennen slechts op een beperkt aantal terreinen door de overheid bekostigde masters, in het bijzonder in het domein van de gezondheidszorg en de educatie. Studenten of hun werkgever betalen over het algemeen de kosten.
De HU geeft prioriteit aan de uitbreiding van het aanbod van professionele masters. Op dit moment worden 31 masteropleidingen aangeboden, waarvan ongeveer de helft (15) op het terrein van de educatie. Bij de ontwikkeling van het aanbod staat de vraag uit de beroepspraktijk centraal en moet een kostendekkende exploitatie mogelijk zijn. Hierbij moet rekening worden gehouden met het feit dat de doelgroep andere eisen stelt aan de door de HU geboden faciliteiten dan jongere studenten zonder praktijkervaring. Om de investeringen in deze faciliteiten beperkt te houden zullen deze gemeenschappelijk (ruimtelijk geconcentreerd) worden aangeboden.
{Postinitieel onderwijs{139 In de komende nota Huisvestingsbeleid (najaar 2010) zullen de uitgangspunten hiervoor worden uitgewerkt.

In een eerdere paragraaf is stil gestaan bij het aanbod van opleidingen voor internationale inkomende mobiliteit. De vragen die daarbij voor bacheloropleidingen zijn gesteld gaan ook op voor het masteronderwijs. Ook voor deze opleidingen geldt dat ze in het studiejaar 2010-2011 in termen van baten (voor ‘internationalisation at home’) en kosten (w.o. wervingskosten) zullen worden geëvalueerd. {Internationalisering onderwijs{56

De masteropleidingen van de HU hebben een andere oriëntatie dan die van de Universiteit Utrecht. In het samenwerkingsverband binnen Utrecht zijn afspraken gemaakt over doorstroom van het HBO naar het WO. De doorstroomprogramma’s naar masters van de UU (en de Technische Universiteiten) blijven bestaan, zoals ook de overstap van een wetenschappelijke bachelor naar een professionele master gefaciliteerd zal blijven. {Samenwerking met kennisinstellingen{59

De HU handhaaft het streven uit Koers 2012 om te komen tot een vitaal palet aan professionele masteropleidingen. In 2010 zullen in de nota Huisvestingsbeleid de uitgangspunten voor een concentratie van de specifieke faciliteiten voor masterstudenten worden uitgewerkt. Het internationale masteraanbod zal in het studiejaar 2010-2011 worden geëvalueerd.

Contractonderwijs
In Koers 2012 is onvoldoende aandacht besteed aan het belang van het onderwijsaanbod dat niet tot een bepaalde graad opleidt. Door uit te gaan van een leven lang leren wordt duidelijk dat ook het aanbod van de facultaire centra tot onze kerntaken behoort, zeker waar er sprake is van hergebruik van modulen uit het bachelor- of masterprogramma voor een andere doelgroep. Contractonderwijs is niet iets dat naast de kerntaken er nog even bij wordt gedaan, het is een wezenlijk instrument van de HU om haar strategische doelen te bereiken. Hiermee wordt het ook van belang na te denken over de positionering ervan. Ook hiervoor is aantoonbare kwaliteit leidend. Dit betekent dat het postinitiële contractonderwijs zich richt op het vermarkten van onderdelen van geaccrediteerde bachelor- of masteropleidingen (modules) voor afgestudeerde hbo-professionals. Zo ontstaan kansen voor kruisbestuiving tussen het bekostigde en onbekostigde onderwijs en de kennisontwikkeling binnen de lectoraten. Het gaat dan bijvoorbeeld om minors en voor postervaring studenten interessante onderdelen uit nieuw ontwikkelde afstudeerprogramma’s binnen bestaande bachelors. Daarnaast kunnen onderdelen uit de masterprogramma’s in de vorm van masterclasses worden aangeboden, zodat wij ook daarmee onze alumni blijvend aan ons binden en een bijdrage leveren aan hun doorgaande loopbaanontwikkeling. {Leven Lang Leren en Alumni{197 {Postinitieel onderwijs{197 Naast het ‘hergebruik’ van bestaande modules is ook het ontwikkelen van modules voor cursussen en trainingen denkbaar, die vervolgens kunnen indalen in de degree-opleidingen. Bij deze invalshoek moet het dus gaan om modules met inhoudelijke aansluiting bij bachelor- of masteropleidingen en met het daarbij gevraagde kwaliteitsniveau. Bovendien moet bij de ontwikkeling van dit aanbod concreet worden aangegeven wanneer indaling in het bachelor- of masteronderwijs zal worden gerealiseerd. Evenals het aanbod van onbekostigde masters geldt voor het contractonderwijs dat bij de ontwikkeling van het aanbod de vraag uit de beroepspraktijk centraal staat en dat een kostendekkende exploitatie mogelijk moet zijn. Ook de kanttekening dat de doelgroep andere eisen stelt aan de door de HU geboden faciliteiten gaat hier op. Sterker nog: aanpassing aan de verwachtingen op de arbeidsmarkt spelen hier nog sterker dan bij het masteronderwijs. Op basis van deze uitgangspunten zal een herontwerp van het aanbod en de organisatie van het contractonderwijs gemaakt moeten worden. Dit vereist een programmatische aanpak. {Postinitieel onderwijs{160

Binnen twee studiejaren (dus voor aanvang van het studiejaar 2012-2013) zal een heroriëntatie van het contractonderwijs worden gerealiseerd. Binnen het raamwerk van het concept ‘een leven lang leren’ biedt de HU een flexibel geheel van cursussen en trainingen aan. Cursussen en trainingen betreffen ‘hergebruik’ van onderwijsmodules uit het bachelor- en masteraanbod en zijn sterk gekoppeld aan uitkomsten van lopend onderzoek. Onder bepaalde voorwaarden (inhoudelijke aansluiting bij degree-onderwijs, aantoonbaar kwaliteitsniveau en concrete termijnen) is naast het ‘hergebruik’ van bestaande modules ook het ontwikkelen van modules voor cursussen en trainingen denkbaar, die vervolgens kunnen indalen in de degree-opleidingen. {Leven Lang Leren en Alumni{96 {Postinitieel onderwijs{96 In 2010 zullen in de nota Huisvestingsbeleid de uitgangspunten voor een concentratie van de specifieke faciliteiten voor studenten die cursussen of trainingen volgen worden uitgewerkt. {Postinitieel onderwijs{25

Amersfoort
Naast de strategische bedrijfsvoering (zie hierna) is het vorm geven van de locatie Amersfoort een onderwerp waaraan in Koers 2012 geen of te weinig aandacht is besteed. Dit is – zeker gegeven de huidige situatie – onterecht. In de eerste plaats vanwege de nieuwbouw die in Amersfoort de afronding nadert en de fusie met Hogeschool Domstad, waardoor de opleiding tot leraar basisonderwijs naar Amersfoort verplaatst kan worden. In de tweede plaats is stil gestaan bij het onderwijsconcept in Amersfoort, omdat daar vanuit verschillende faculteiten een beperkt aantal opleidingen wordt aangeboden. Hierdoor is de samenhang over de grenzen van de faculteiten veel sterker dan in Utrecht en de relatie tussen het onderwijs en de bedrijfsvoering veel intensiever. Ondanks de spreiding van activiteiten over Utrecht en Amersfoort wenst de HU een eenduidig gezicht naar buiten te laten zien. Het aanbod in de twee steden wordt dan ook vanuit een gemeenschappelijk perspectief bezien, zodat het niet nodig is tot een verdubbeling van het aanbod over te gaan of een afwijkend onderwijs- of onderzoeksprofiel te ontwikkelen. Wel wil de HU het aanbod in Amersfoort zodanig samenstellen dat het aansluit bij specifieke kenmerken van die stadsregio {Profilering en zwaartepuntvorming{55 Dit levert de volgende uitgangspunten op:
• In Amersfoort zullen uitsluitend bacheloropleidingen worden aangeboden. Master opleidingen en onderzoek blijven geconcentreerd in Utrecht.
• Het aanbod in Amersfoort wordt thematisch georganiseerd. Thema’s zijn: Opvoeding & Onderwijs, Economie (in het bijzonder ‘vrijetijdseconomie’) en Zorg & Welzijn.

Door de positie van de HU in Amersfoort kan – naast het onderwijs – het gebouw worden gebruikt om kennisgerelateerde activiteiten van andere organisaties of instellingen in het gebouw te laten plaatsvinden. In dit verband wordt wel van een city campus gesproken, omdat veel maatschappelijke activiteiten op de campus van de HU kunnen plaatsvinden. Tenslotte kan Amersfoort een rol gaan spelen als laboratorium, waarin in de vorm van pilots flexibilisering van het onderwijs (inter-facultaire samenwerking) en experimenten voor de uitwerking van de strategische bedrijfsvoering een plaats kunnen krijgen.

Het ingezette beleid voor de vestiging Amersfoort zal onverkort worden voortgezet. Er zullen uitsluitend bacheloropleidingen worden aangeboden die passen binnen de thema’s Opvoeding & Onderwijs, Economie en Zorg & Welzijn.

2.2 Praktijkgericht Onderzoek
Het versterken van de verbinding tussen het bacheloronderwijs en het toegepast onderzoek zal een grote bijdrage moeten leveren aan de vorming van internationaal georiënteerde ‘ reflective practitioners’ (zie hiervoor). Doorwerking van het onderzoek in het onderwijs is dan ook een speerpunt in het strategisch beleid van de HU. {Academisering onderwijs{48 {Valorisatie{48 Tevens is echter het doel van praktijkgericht onderzoek om ook langs deze weg – naast het onderwijs – bij te dragen aan de innovatie van de beroepspraktijk. Langs beide wegen is er sprake van kennisvalorisatie. {Valorisatie{33 Voor wie de ontwikkelingen in het hoger onderwijs op enige afstand volgt is het opmerkelijk hoe snel onderzoek door het hbo als vanzelfsprekende opdracht is geaccepteerd. Stap voor stap heeft onderzoek zijn plaats in het hoger beroepsonderwijs verworven. Hoger onderwijs met het beeld van de student zoals hiervoor geschetst kan in de huidige tijd ook niet meer zonder een behoorlijk ontwikkelde onderzoeksfunctie. Goed onderwijs en goed onderzoek kunnen niet buiten elkaar. {Academisering onderwijs{71 Ook de zichtbaarheid van het onderzoek in de regionale netwerken van bedrijven, organisaties en instellingen is een knelpunt. Investeren in samenwerken en ons daarop organiseren door stakeholders aan ons te binden blijft een belangrijke opgave. {Praktijkgericht onderzoek{35 {Regionale samenwerking{35

De aandacht voor de doorwerking in het onderwijs en de regionale zichtbaarheid en impact vraagt geen grote bijstellingen in het beleid zoals dat in en op basis van Koers 2012 is geformuleerd. Op basis van het adagium ‘focus en massa’ is het onderzoek in facultaire kenniscentra georganiseerd. De kenniscentra zijn: Communicatie en Journalistiek, Educatie, Innovatie en Business, Innovatie van zorgverlening, Technologie en Innovatie en Sociale Innovatie. {Profilering en zwaartepuntvorming{34 Ieder van de kenniscentra kent een onderzoeksprogramma, dat eens in de zes jaar door een externe visitatiecommissie wordt beoordeeld op kwaliteit. De kwaliteitscriteria zijn doorwerking in het onderwijs, de bijdrage aan kennisproductie en de bijdrage aan de innovatie van het beroepenveld. Op basis van afspraken in de branche wordt de interne kwaliteitszorg van de hogeschool eens in de zes jaar beoordeeld door een onafhankelijke, externe commissie van deskundigen, de landelijke Validatiecommissie Kwaliteitszorg Onderzoek (VKO). Deze commissie is in 2009 ingesteld door het bestuur van de HBO raad. In het najaar van 2009 is de kwaliteitszorg van de HU als eerste in Nederland gevalideerd. Op basis van de kritische kanttekeningen die door de VKO zijn geformuleerd zullen de beoordelingscriteria voor de kwaliteit van het onderzoek in 2010 verder worden aangescherpt. Een belangrijk onderdeel hiervan is het operationaliseren van peer reviewd publiceren voor praktijkgericht onderzoek. Uitgangspunt hierbij is de impact van een publicatie in media met een belangrijke invloed op onderwijs en beroepspraktijk op basis van beoordeling door peers. {Kwaliteitszorg Onderzoek{167

Op basis van de activiteiten in de kenniscentra zijn in 2010 vier interfacultaire focusgebieden in het leven geroepen, de z.g. onderzoeksspeerpunten van de hogeschool. De gebieden zijn geselecteerd vanwege de bewezen kwaliteit van het onderzoek op de specifieke terreinen en het belang ervan voor de economische en sociaal-culturele ontwikkeling van de regio Utrecht. De speerpunten zijn: duurzaamheid, onderwijs en opvoeding in de wijk, creatieve industrie en zorg en technologie. Voor ieder van de speerpunten is een van de faculteitsdirecteuren als programmaleider aangesteld. In de komende periode zullen deze programma’s verder worden uitgewerkt. Het aantal speerpunten van de HU zal maximaal vijf onderwerpen betreffen. {Profilering en zwaartepuntvorming{103

De doelstelling uit Koers 2012 om het aantal lectoren tot ongeveer veertig te laten groeien is op dit moment al gerealiseerd. Een verdere groei van het aantal wordt op dit moment niet nagestreefd. Nieuwe lectoraten zullen alleen dan worden ingesteld bij een aantoonbaar belang voor de kwaliteitsverbetering van het onderwijs, een aantoonbare vraag uit de beroepspraktijk, de versterking van de onderzoeksspeerpunten en een kostendekkende exploitatie. De aandacht en middelen moeten primair worden gericht op een verdere inbedding van de bestaande lectoraten in het onderwijs van de HU: docenten en studenten betrekken bij het onderzoek en de uitbouw van regionale netwerken (zie hierna het hoofdstuk Kennisorganisatie).

Het op basis van het adagium ‘focus en massa’ vastgestelde onderzoeksbeleid zal door de HU onverkort worden voortgezet. In het studiejaar 2010-2011 zullen de kwaliteitscriteria worden aangescherpt op basis van het advies van de VKO. Operationalisatie van het concept ‘peer reviewed publiceren’ heeft hierbij hoge prioriteit. In hetzelfde jaar worden de programma’s voor de speerpunten uitgewerkt. Het aantal speerpunten zal maximaal vijf onderwerpen betreffen.

H3. KENNISORGANISATIE

Als kennisorganisatie is de hogeschool een werkgemeenschap van medewerkers en studenten. Dit grondbeginsel van Koers 2012 wordt door de HU nog steeds volledig onderschreven. Het bevorderen van betrokkenheid van studenten bij verschillende taken binnen de HU (onderwijs, studiebegeleiding, onderzoek) heeft dan ook geleid tot beleidsinitiatieven en blijft dan ook een belangrijk punt van aandacht. Hetzelfde geldt voor het stimuleren van een actieve bijdrage van studenten aan de medezeggenschap. Dit laatste gaat natuurlijk ook op voor de betrokkenheid van de medewerkers. Daarbij spelen naast de medezeggenschap het HRM beleid en organisatieontwikkeling een grote rol. Bij de organisatieontwikkeling is in de afgelopen jaren het thema bedrijfs- voering steeds nadrukkelijker op de agenda gekomen. In dat kader is ook de aandacht voor het financieel beleid versterkt.

Het HRM beleid is uitgewerkt in de nota HRM beleid in het kader van Koers 2012 (2009). De belangrijkste afspraken zijn:
Alle docenten hebben in 2017 een mastergraad of volgen een masteropleiding en (tenminste) twintig procent van de docenten is gepromoveerd of bezig met een promotietraject; {Academisering docenten{25
• We blijven goede resultaten boeken volgens het werkbelevingonderzoek;
• We vormen een aantrekkelijke HU-community met een transparante structuur die betrokkenheid van medewerkers mogelijk maakt;
Iedere medewerker streeft permanent naar persoonlijke ontwikkeling; {Personeelsbeleid{7
De ‘starteisen’ voor wat betreft kennis en kunde zijn voor iedereen transparant, evenals de mogelijkheden voor aantrekkelijk werk en een loopbaan. Dat doen we onder meer door het opstellen van afdelingsontwikkelingsplannen, potentieelinschatting en facilitering bij opleidingen; {Personeelsbeleid{36
• Er komt meer menskracht beschikbaar voor de kerntaken;
Docenten zijn flexibel inzetbaar op minimaal twee onderdelen van de trits onderwijs, onderzoek, en beroepspraktijk – en in ieder geval op het terrein van onderwijs. {Personeelsbeleid{24

Deze hoofdlijnen zijn uitgewerkt in een aantal concrete beleidsthema’s:
1. competenties van medewerkers;
2. RGW cyclus en loopbaanontwikkeling;
3. Werken in teamverband;
4. Leiderschap;
5. Inrichting van de organisatie;
6. Arbeidsmarkt;

Er is geen noodzaak de hoofdlijnen van het personeelsbeleid bij te stellen. Er zijn wel vier specifieke aandachtspunten voor de komende periode:
  • Bij het werken in teamverband zal bijzondere aandacht worden besteed aan professionaliteit en professionele ruimte binnen teams. Het bevorderen en optimaliseren van professionele ruimte binnen de teams heeft de komende jaren prioriteit. Hiervoor wordt door de stafdienst P&O in samenwerking met de CMR een programma ontwikkeld.
  • Bij het thema leiderschap gaat de aandacht vooral uit naar onderwijsmanagement (inhoudelijk leiderschap op het niveau van de teams) en projectleiderschap.
    Wat betreft het onderwijsmanagement zal worden aangesloten bij het Manifest Veranderend Leiderschap binnen de HU (2010), waarin de volgende uitgangspunten zijn geformuleerd:
    - Leidinggevenden zijn verbinders van collectieve ambities en individuele ambities.
    - Leidinggevenden onderhouden een open structuur met regelruimte voor professionals.
    - Leidinggevenden zien erop toe dat systemen professionals en studenten ondersteunen bij de uitvoering van hun werk- en leerprocessen.
    - Leidinggevenden ondersteunen medewerkers in hun ontwikkeling.
    - Leidinggevenden ontwikkelen hun reflectief vermogen, sturing op hoofdlijnen en kennis van (onze) onderwijsorganisatie.
    {Onderwijskundig leiderschap{103
  • Bij het thema arbeidsmarkt wordt hoge prioriteit toegekend aan de scouting en werving van talent dat past bij of kan doorgroeien tot het niveau dat wordt gevraagd door de hiervoor omschreven ambities van de hogeschool. Bijzondere aandacht gaat hierbij uit naar bicultureel talent. Waar eerder is vastgesteld dat de ontwikkeling in de samenstelling van de studentenpopulatie een redelijke afspiegeling vormt van de regio, geldt dat niet voor de samenstelling van het personeel. Na de afronding van de pilots Nieuw Goud en de indaling van het onderwerp in het algemene beleid is er te weinig aandacht besteed aan het onderwerp. {Personeelsbeleid{99
  • Flexibiliteit in het personeelsbestand is in twee opzichten belangrijk. Op de arbeidsmarkt bestaat bij medewerkers steeds meer belangstelling voor meer ruimte in de afspraken met de instelling (zie bijvoorbeeld de toenemende belangstelling voor een constructie als zelfstandige zonder personeel). In verband met aantrekkelijk werkgeverschap is dit een belangrijk gegeven. Voor de instelling is het in de onzekere tijden van nu bovendien belangrijk om te onderscheiden tussen personeel met een vaste en personeel met een tijdelijke aanstelling. {Personeelsbeleid{76
Het HRM beleid zal onverkort worden voortgezet. Prioriteit wordt gegeven aan professionele ruimte binnen teams, leiderschap, instroom van bicultureel talent en flexibele arbeidsverhoudingen.

3.2 Organisatieontwikkeling
Over organisatieontwikkeling wordt in Koers 2012 gesteld dat de organisatiestructuur op hoofdlijnen niet zal veranderen. Nadruk wordt gelegd op een waardegedreven cultuur. Kernwaarden zijn:
• Gericht op de omgeving;
• Professioneel en hoogwaardig
• Persoonlijk en betrokken;
• Vernieuwend en ondernemend;
• Betrouwbaar en transparant.

Een belangrijke stap in de uitwerking van Koers 2012 is gezet in de nota Organisatieontwikkeling (2009). Het accent ligt daarbij op een onderwerp dat als zelfstandig thema in Koers 2012 onderbelicht blijft, namelijk de relatie tussen de kerntaken en de ondersteunende dienstverlening binnen de HU (ketentaken). Er wordt gesteld dat Hogeschool Utrecht één geïntegreerde organisatie is en geen federatie van subonderdelen. Er wordt expliciet afscheid genomen van integraal management als sturingsmodel. Daarvoor in de plaats wil HU een partnerschaporganisatie zijn, waarin procesgericht wordt gewerkt. Faculteiten en stafdiensten zijn partners bij het realiseren van gewenste diensten. Het overlegorgaan van College van Bestuur en faculteitsdirecteuren (HU Managementoverleg) zorgt voor integraliteit. Faculteitsdirecteuren zijn verantwoordelijk voor de resultaten van kerntaken (zijnde onderwijs en onderzoek), stafdirecteuren zijn dat voor de ketentaken (kolommen). Het HU managementoverleg is de plaats waar over de integratie van kern- en ketentaken wordt gesproken en geadviseerd.

Bij de uitwerking van de voorgaande uitgangspunten zijn drie stappen gezet:
1. Binnen HU Diensten zijn een beperkt aantal wijzigingen aangebracht, gebaseerd op een ordening die op een meer logische wijze overeenstemt met de werkprocessen (inrichting kolommen).
2. De aansluiting van de kolommen op de kerntaken is georganiseerd.
3. Er zijn afspraken gemaakt over de afstemming tussen de verschillende niveaus binnen de hogeschool. Hiertoe zijn kolomsgewijs beleidsraden en programmaraden ingericht. Deze overlegvormen moeten er voor zorgen dat de aanwezige kennis over alle aspecten van de werkprocessen binnen de HU systematisch wordt meegenomen in het beleid.

In de komende periode zal bij organisatieontwikkeling de aandacht vooral uitgaan naar het goed laten werken van de gemaakte afspraken en de inrichting van de kolommen voor de dienstverlening (zie hierna).

4. BEDRIJFSVOERING EN FINANCIEEL BELEID

Hiervoor is al vastgesteld dat in Koers 2012 te weinig aandacht is besteed aan de bedrijfsvoering binnen de HU: een globale bezuinigingsdoelstelling (20%) gekoppeld aan een eis voor klanttevredenheid voor de stafdiensten is onvoldoende richtinggevend gebleken. Bij de uitvoering van het strategisch plan is duidelijk geworden hoe essentieel de afstemming tussen de kern- en ketentaken binnen de hogeschool is. In de afgelopen maanden zijn de uitgangspunten en de doelstellingen geïdentificeerd en is een fundament voor ontwerp gelegd voor een toekomstig model voor bedrijfsvoering. Dit is gebeurd in het verlengde van de eerder genoemde notitie over de organisatieontwikkeling.

4.1 Bedrijfsvoering
De uitdaging is om bij die wederzijdse afhankelijkheid en het procesmatig werken onderwijs- en onderzoekstaken leidend te laten zijn voor de kwalitatief goede en bij het onderwijs en onderzoek aansluitende dienstverlening. Deze gedachte is in het voorjaar van 2010 uitgewerkt in een notitie Strategische bedrijfsvoering, die op verschillende manieren in de midterm review aan de orde is gekomen. Uitgaande van de eerder vastgestelde opvatting dat HU is een fysieke, virtuele en open kennisorganisatie is waarin een werkgemeenschap van medewerkers en studenten vorm krijgt en het belang om binnen die organisatie en gemeenschap vanuit een gemeenschappelijk raamwerk, een gedeelde en gestandaardiseerde infrastructuur en definities te wordt vastgesteld dat procesmatig werken de kern is van de professionalisering van de bedrijfsvoering. Procesmatig werken en partnerschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: bij beleidsvorming en uitvoering worden interne en externe relaties met elkaar verbonden. Langs deze weg optimaliseert de HU de bedrijfsvoering, zodat een verschuiving van middelen van ketentaken naar kerntaken plaats vindt. Daarbij werkt de bedrijfsvoering evidence based en op basis van juiste, tijdige en volledige (management)informatie. {informatiemanagement{15 In de bedrijfsvoering streeft HU naar hoogwaardige kwaliteit door zich te meten met vergelijkbare organisaties in het binnen- en buitenland. Binnen de instelling worden deze uitgangspunten breed gedeeld en dat binnen de instelling hoge prioriteit wordt toegekend aan de uitdaging om ze uit te werken. In het najaar van 2010 zullen hiervoor werkprogramma’s vastgesteld worden. Dit zal gebeuren in samenhang met twee andere dossiers, namelijk dat van het strategisch huisvestingsbeleid en de duurzaamheid. Voor het strategisch huisvestingsbeleid is het uitgangspunt dat de vastgoedvoorraad van de instelling in de voorzienbare toekomst niet zal groeien. In omvang dezelfde ruimte zal gebruikt worden door een toenemend aantal studenten en personeelsleden. Dit kan alleen door een andere, meer efficiënte en effectieve invulling van de werkprocessen (flexibel werken). Bovendien concentreert de HU zich in Utrecht op de campus De Uithof. Door ruimtelijke concentratie van de activiteiten is het eenvoudiger schaalvoordelen te realiseren (bv. door faciliteiten en ondersteunende diensten die nu in alle faculteiten afzonderlijk is georganiseerd met elkaar te delen). {Efficiency en effectiviteit{165

In Amersfoort ontwikkelt de vestiging aldaar zich tot een zogenaamde Citycampus: naast het onderwijsaanbod (zie hiervoor) wordt het vastgoed gebruikt om de synergie met de omgeving vorm te geven. {Campus{29 or de bestaande vastgoedvoorraad is de instandhouding gericht op een constante hoogwaardige kwaliteit (onderhoudsarm, schoon, veilig en gezond) en op ondersteuning van de identiteit van de instelling (bijvoorbeeld door aansluiting bij de doelgroepen van het onderwijsaanbod; zie hiervoor). Wat betreft het streven naar een duurzame bedrijfsvoering heeft de HU in de afgelopen jaren al veel geïnvesteerd en bereikt, vooral bij de vormgeving en inrichting van de nieuwe of vernieuwde gebouwen op De Uithof, Oudenoord 700 en Amersfoort. Bovendien heeft HU zich verbonden aan een aantal convenanten waarin ambitieuze doelstellingen zijn geformuleerd op het terrein van het energiegebruik, mobiliteit en inkoop. In 2010 zullen door de HU de ambities voor de duurzame hogeschool in een nota worden vastgelegd. {Duurzaamheid{79

Op basis van de notitie Strategische bedrijfsvoering zullen in 2010 programma’s worden uitgewerkt die binnen twee studiejaren tot zichtbare en meetbare verbetering van de aansluiting tussen de kern- en ketentaken leiden. Deze programma’s worden ontwikkeld in samenhang met de uitvoering van het strategisch huisvestingsbeleid en de verdere vormgeving van de duurzame hogeschool. Ook voor de laatste onderwerpen zullen de uitgangspunten in 2010 worden vastgesteld.

4.2 Financieel beleid
In Koers 2012 zijn over de financiële situatie van de instelling geruststellende woorden geschreven. De praktijk bleek ook in dit geval weerbarstiger dan het voornemen. In de afgelopen jaren heeft het veel moeite en inzet gekost om achtereenvolgende negatieve financiële resultaten in positieve zin om te buigen. De belangrijkste problemen deden zich voor in de huisvestingslasten en kosten voor personeel niet in loondienst (de z.g. PNIL). De ontwikkeling van beide posten zijn redelijk onder controle gebracht, al vraagt vooral de huisvesting ook in de komende jaren nog belangrijke besluiten. Hiervoor is al vastgesteld dat in het najaar van 2010 een nota Strategisch huisvestingsbeleid wordt vastgesteld.

Naast de weerbarstigheid van de praktijk wordt de HU nu ook geconfronteerd met de gevolgen van de financiële en economische terugval in de wereld. De bezuinigingen in de publieke sector zullen direct of indirect ook het hoger onderwijs raken. Als gevolg van de financieel-economische ontwikkeling wordt van de HU nog meer dan in het verleden verlangd dat binnen een beperkt budget duidelijke keuzes worden gemaakt bij de inzet van de middelen, de effectiviteit en de efficiency van de ingezette middelen goed in kaart wordt gebracht en zorg wordt gedragen voor een adequate sturing van de processen.

De invoering van een nieuw bekostigingsmodel door het ministerie van OCW zal – nog los van mogelijke bezuinigingen - nadelige gevolgen hebben voor de publieke inkomsten van de HU. Zoals thans berekend gaat het om een daling van meer dan 4 miljoen op jaarbasis.
De belangrijkste wijzigingen in het model zijn:
• bekostiging van 1 bachelor en 1 master per student;
• de bekostiging voor de bachelor wordt opgebouwd uit vier leerjaren en 1 jaar diplomabekostiging.
Als gevolg van een overgangsregeling zal HU een aantal jaren (max. 5) en in beperkte mate gecompenseerd worden voor de achteruitgang in bekostiging.
De interne allocatie zal de hoofdlijnen van het bekostigingsmodel van het ministerie blijven volgen. Evenals het bekostigingsmodel van OCW zal het interne allocatiemodel gefaseerd worden ingevoerd.

Het voorgaande betekent dat de instelling ook de komende jaren een voorzichtige koers zal moeten varen. Dit is zeker het geval nu duidelijk is geworden dat in de publieke sector gedurende de komende jaren op ingrijpende wijze bezuinigd zal worden. Ook de onderwijssector zal daaraan niet kunnen ontkomen. Op dit moment is echter nog onduidelijk welke gevolgen het overheidsbeleid concreet zal hebben.

Gegeven de externe omstandigheden en de moeite die het heeft gekost om een reeks negatieve financiële resultaten achter ons te laten is besloten om vanaf 2012 jaarlijks te komen tot een ‘in control statement’. Dit statement is een verklaring waarin het bestuur van de instelling waarin staat dat zij alle potentiële risico’s in kaart heeft gebracht en voldoende in control is over een goede werking van de interne processen. Een dergelijke verklaring moet uiteraard berusten op een adequaat systeem van interne risicobeheersing en controle. Aspecten als veiligheid, een betrouwbare financiële verslaggever, het in control zijn van het operationele proces en de zekerheid dat gemaakte afspraken ook worden nagekomen zijn wezenlijke onderdelen van een integraal proces van risicomanagement. Als instrumenten van het interne-risicobeheersings- en controlesysteem hanteert de HU in ieder geval:
a. risicoanalyses van de operationele en financiële doelstellingen van de instelling (risicomanagement);
b. handleidingen voor de inrichting van de financiële verantwoording en de voor de opstelling daarvan te volgen procedures;
c. een systeem van monitoring en rapportering.
{Financial Control{167

Vooral het ontwikkelen van een adequaat risicomanagement zal nog de nodige inspanningen vragen. In 2009 is hiervoor een implementatiekader ontwikkeld. Binnen de HU zijn al allerlei maatregelen ten behoeve van de interne beheersing (‘management control’) ingericht. Op hoofdlijnen zijn dit onder andere de P&C-cyclus, AO/IC, kwaliteitsmanagement, personeelsbeleid en de eenheid Corporate Control. Daarnaast wordt op allerlei plekken in de organisatie nagedacht over risico’s die het behalen van de organisatiedoelstellingen bedreigen en worden er maatregelen genomen om deze risico’s te beheersen (bijv. Calamiteitenplannen). Dit implementatiekader interne beheersing en risicomanagement is bedoeld om de bestaande beheersingsmaatregelen te structureren en systematiseren en daar waar nodig (‘witte plekken’) aan te vullen.

Om de strategische doelstellingen van de HU te realiseren zullen meer van de beschikbare middelen ter beschikking moeten komen van de kerntaken. In de afgelopen jaren is het programma professionalisering back office gerealiseerd, waardoor met efficiencymaatregelen de kosten 20% zijn teruggebracht bij gelijkblijvende output ten opzichte van 2006. Dit betekent dat in 2010 een besparing van 6,5 miljoen euro wordt gerealiseerd. Voor de komende jaren is het de bedoeling verdergaande resultaten te boeken. Hiertoe zal een programma worden uitgewerkt. Doelstelling daarbij is om uiterlijk 2012 een verschuiving gerealiseerd te hebben waarbij de instellingslasten 25% en de personele lasten 75% bedragen. Dit is een verschuiving van 3% in de richting van de personele lasten. De gewenste verdeling binnen de 75% personele lasten is OP 50% en OBP 25%.

HU zal vanaf 2012 jaarlijks een ‘in control statement’ afgeven. Hiertoe zal op basis van het reeds vastgestelde implementatiekader een adequaat systeem van interne risicobeheersing en controle worden ingericht. Om de strategische doelstellingen te realiseren zal uiterlijk 2012 een verschuiving van 3% van instellingslasten naar personele lasten plaatsvinden. Bovendien zal binnen de personele lasten een verschuiving van OBP (norm: max. 25%) naar OP (norm: min. 50%) worden gerealiseerd.

-------------------

Analyse Bestuursnotitie Hogeschool Utrecht 2012-2014

In onderstaand overzicht staan de onderwerpen uit de bestuursnotitie gerangschikt in volgorde van het aantal woorden gewijd is aan het beschrijven en uitwerken van het onderwerp. Onderliggende aanname is dat er meer woorden gebruikt worden voor bestuurlijk belangrijke onderwerpen.

Een decielscores geeft aan in welk deciel (10% categorie) het aantal woorden valt. Een decielscore van 1 wil zeggen dat het aantal woorden binnen het eerste deciel valt: de laagste 10% van het aantal woorden dat aan een onderwerp besteedt wordt. Een decielscore van 6 wil zeggen dat het aantal gebruikte woorden tussen de 50%-60% ligt van het aantal woorden dat maximaal gebruikt wordt om een onderwerp te beschrijven.


Onderwerp
# woorden
% woorden
decielscore
Postinitieel onderwijs
728
10,12
10
Leven Lang Leren en Alumni
666
9,26
10
Internationalisering onderwijs
595
8,27
10
Kwaliteitszorg onderwijs
509
7,08
9
Studiebegeleiding
450
6,26
9
Flexibiliteit en Maatwerk
397
5,52
9
Academisering onderwijs
367
5,10
8
Profilering en zwaartepuntvorming
355
4,93
8
Associate Degree
329
4,57
8
Diversiteit en Differentiatie
325
4,52
7
Valorisatie
265
3,68
7
Personeelsbeleid
242
3,36
7
Efficiency en effectiviteit
237
3,29
6
Regionale samenwerking
216
3,00
6
Aansluiting toeleverend onderwijs
203
2,82
6
Rendement en uitval
199
2,77
5
Kwaliteitszorg Onderzoek
167
2,32
5
Financial Control
167
2,32
5
Samenwerking met kennisinstellingen
149
2,07
4
Onderwijskundig leiderschap
103
1,43
4
Onderwijsintensiteit
100
1,39
3
Aansluiting arbeidsmarkt
93
1,29
3
Duurzaamheid
79
1,10
3
informatiemanagement
62
0,86
2
Academisering docenten
48
0,67
2
Joint Degree
42
0,58
2
Excellent onderwijs
37
0,51
1
Praktijkgericht onderzoek
35
0,49
1
Campus
29
0,40
1

7194
100


In onderstaand overzicht staan de onderwerpen uit de bestuursnotitie gerangschikt binnen alle strategische ondewerpen van het Hoger Onderwijs. In alle kolommen worden decielscores vermeldt. De decielscores in de kolom "HBO" zijn tot stand gekomen door het aantal woorden dat gewijd is aan hetzelfde onderwerp in alle HBO-instellingsplannen op te tellen en vervolgens in te delen in het bijhorende deciel. De decielscores in de kolom "OCW" zijn tot stand gekomen door het aantal woorden dat aan een onderwerp gewijd is in het Hoofdlijnenakkoord op te tellen bij het aantal woorden dat eraan gewijd is in de Strategische Agenda van het Ministerie. De optelsom is vervolgens ingedeeld in het bijhorende deciel.


Onderwijs
HU
OCW
HBO
1.1. Rendement en uitval
5
6
9
1.1.1. Aansluiting toeleverend onderwijs
6
3
5
1.1.2. Voorlichting

9
4
1.1.3. Brede bachelor

6
1
1.1.4. Studiebegeleiding
9
2
9
1.1.5. Ambitieus onderwijs

7
8
1.1.5.1. Toelatingseisen en selectie

9
2
1.1.5.2. Onderwijsintensiteit
3
7
5
1.1.5.3. Docentkwaliteit

1
1
1.1.5.3.1. Academisering docenten
2
6
7
1.1.5.3.2. Didaktische vaardigheden docenten

4
3
1.1.5.3.3. Werkveld ervaring docenten


3
1.1.5.4. Diversiteit
7

8
1.1.5.4.1. Associate Degree
8
7
4
1.1.5.4.2. Professional Doctorate



1.1.5.4.3. Excellent onderwijs
1
5
6
1.1.5.4.4. Academisering Onderwijs
8
3
8
1.1.5.4.5. Graduate School

2

1.1.5.4.6. Joint Degree
2
1
2
1.1.5.4.7. Postinitieel onderwijs
10
5
7
1.1.5.4.8. Leven Lang Leren en Alumni
10
9
10
1.1.6. Flexibiliteit en Maatwerk
9

7
1.2. ICT in onderwijs


4
1.3. Internationalisering Onderwijs
10
4
10
1.4. Werving excellente studenten


3
1.5. Samenwerking met kennisinstellingen
4
5
8
1.6. Aansluiting arbeidsmarkt
3
8
9
1.7. Externe fondsenwerving onderwijs


5
1.8. Kwaliteitszorg Onderwijs
9
10
10





Onderzoek
HU
OCW
HBO
2.1. Praktijkgericht onderzoek
1
8
9
2.2. Profilering en zwaartepuntvorming
8
10
9
2.3. Internationale concurrentiepositie

7

2.4. Werving excellente onderzoekers

1
2
2.5. Diversiteit en Differentiatie

10
3
2.6. ICT in onderzoek

2
1
2.7. Ontwikkelen Onderzoeksinfrastructuur

2
1
2.8. Externe fondsenwerving onderzoek

8
4
2.9. Kwaliteitszorg Onderzoek
5
4
4





Valorisatie
HU
OCW
HBO
3.0. Valorisatie
7
10
8
3.1. Samenwerking met bedrijfsleven

6
5
3.2. Regionale samenwerking
6

10
3.3. Nationale en internationale samenwerking

9
3
3.4. Ondernemerschap

4
6





Bedrijfsvoering
HU
OCW
HBO
4.1. Campus
1

6
4.2. Duurzaamheid
3

6
4.3. Informatiemanagement
2

7
4.4. Efficiency en effectiviteit
6
1
7
4.5. Personeelsbeleid
7
3
10
4.6. Onderwijskundig Leiderschap
4

2
4.7. Financial Control
5

6
4.8. Nieuwe werken


1





Trends
HU
OCW
HBO
5.1. Topsport


2
5.2. Universiteitsbibliotheek



5.3. Opkomende economieen





In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de mate van samenhang van het bestuursnotitie van de Hogeschool Utrecht met de plannen van alle andere betrokkenen. De analyses zijn gebaseerd op het aantal woorden dat besteedt wordt aan het beschrijven en uitwerken van de strategische onderwerpen. Waarden tussen 0,5 en 0,7 duiden op een middelmatige correlatie en zijn aangegeven met 1 ster (*). Waarden groter dan 0,7 duiden op een hoge correlatie en zijn aangegeven met 2 sterren (**).


Hogeschool Utrecht
Avans Hogeschool
0,24
Fontys Hogeschool
0,03
Haagse Hogeschool
0,59 *
Hogeschool van Arnhem en Nijmegen
0,55 *
Hanzehogeschool Groningen
0,41
Hogeschool Leiden
0,28
Hogeschool Utrecht
1 **
Hogeschool van Amsterdam
0,27
Hogeschool Zeeland
0,38
InHolland Hogeschool
0,57 *
NHL Hogeschool
0,31
Saxion
0,34
Christelijke Hogeschool Windesheim
0,20
Erasmus Univerversiteit Rotterdam
0,25
Radboud Universiteit
0,38
Rijksuniversiteit Grongingen
0,29
TU Delft
0,03
TU Eindhoven
0,19
Universiteit Leiden
0,27
Maastricht University
0,21
Universiteit Twente
0,17
Universiteit Utrecht
0,14
Universiteit van Amsterdam
0,26
Universiteit van Tilburg
0,42
Vrije Universiteit Amsterdam
0,42
Wageningen University & Research centre
0,12
HBO instellingen
0,71 **
WO instellingen
0,33
OCW inclusief akkoord (1)
0,24
Hoger Onderwijs Nederland (2)
0,53 *

(1) Strategische Agenda inclusief hoofdlijnenakkoord HBO-raad
(2) HBO- en WO instellingen plus Strategische Agenda OCW inclusief hoofdlijnenakkoorden



respond.png
Opmerkingen en suggesties zijn van harte welkom!




88x31.png U kunt als volgt naar deze bron verwijzen:
TeWinkel, W., & Juist, N. (2012). Strategie Hoger Onderwijs Nederland 2012.
Beschikbaar via http://www.strategie-ho.nl